De financiële opbrengsten van de landelijke aanpak adresfraude zijn voor de overheid een stuk lager uitgevallen dan aanvankelijk werd verwacht. Begin 2015 verwachtte het ministerie van BZK jaarlijks 42 miljoen euro terug te kunnen vorderen, met een netto opbrengst van jaarlijks 30 miljoen euro. In 2016 werd er uiteindelijk slechts 11 miljoen teruggevorderd, tegenover 9,7 miljoen euro aan kosten, zo blijkt uit een persbericht van het ministerie van BZK.

Ondanks de lagere opbrengst dan verwacht besloot het ministerie van Binnenlandse om door te gaan met de landelijke aanpak, zo laat een woordvoerder weten. De landelijke aanpak adresfraude wordt tot en met 2023 uitgevoerd. Steeds meer gemeenten doen hieraan mee. Samen controleren de gemeenten 15.000 adressen per jaar met huisbezoeken. Elke tien minuten vinden er huisbezoeken plaats, om te controleren of inwoners ook echt wonen op het adres waar ze ingeschreven staan. Onterechte uitkeringen en toeslagen worden stopgezet of teruggevorderd.

Gemeenten werken voor de controles samen met diverse organisaties. Ze maken gebruik van risicosignalen van de Belastingdienst, de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), de Sociale Verzekeringsbank (SVB), de politie, het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG). Een aanwijzing kan bijvoorbeeld een retour gestuurde brief zijn, klachten over overbewoning of signalen over schijnverlating. De trefkans is dankzij deze samenwerkingen per onderzocht adres gestegen van 41 procent naar 50 procent.

Er wordt behalve controleren ook gewerkt aan voorlichting en bewustwording, want niet altijd zijn incorrecte gegevens direct fraude. Er worden adressen verkeerd doorgegeven, of dit gebeurt te laat. Volgens het CBS is 94 procent van de adressen correct en 96 procent van de personen op die adressen’, aldus staatssecretaris Raymond Knops.

Alles bij de bron; BinnlandsBestuur


 

Abonneer je nu op onze wekelijkse nieuwsbrief!
captcha