De regering zorgt er al lange tijd voor dat de geheime diensten op grote schaal telefoongesprekken en internet kunnen afluisteren. Tegelijkertijd proberen wij al minstens net zo lang helder te krijgen hoe vaak de geheime diensten de aftapbevoegdheid die de diensten nu al hebben, inzetten. Hier zijn alvast de cijfers tot en met 2001, de rest komt later.

De Tweede Kamer was er begin 2010 niet van overtuigd dat “het openbaar maken van de kwantitatieve tapstatistieken zicht biedt op de werkwijze van [de geheime diensten]”. De regering openbaarde daarom één keer cijfers over het aantal keer dat telefoon- en internetverbindingen door de geheime diensten waren afgeluisterd. Ons verzoek om ook de cijfers over andere jaren dan 2009 openbaar te maken werd geweigerd omdat dat “inzicht [zou] geven in de manier waarop deze diensten hun bijzondere bevoegdheden inzette.”

De toezichthouder (de CTIVD) zag dat anders. Die stelde “dat een meerjaarlijks overzicht van de tap­statistieken niet als staatsgeheime informatie kan worden aangemerkt.” Immers, als het aantal taps door de jaren verandert “kan dit velerlei oorzaken hebben, waarover een buitenstaander weliswaar vermoedens kan hebben, maar waarover hij geen duidelijkheid kan verkrijgen.” En de commissie die de wet voor de geheime diensten evalueerde vond dat het “maatschappelijk vertrouwen en draagvlak voor het werk van de diensten” kon worden vergroot “door royaler cijfermatige informatie te verstrekken over de activiteiten van de diensten.”

Daarom vroegen we het de AIVD twee jaar geleden nog een keer: hoe vaak keek de AIVD de afgelopen jaren mee over de schouders van bellers en internetters? Je verwacht het niet, maar ook nu weer weigerde de minister. Met het openbaar maken van deze cijfers zouden “het actuele kennisniveau van de dienst of een nog actuele werkwijze bekend kunnen worden.” Bullshit. Cijfers over het aftappen in de jaren zeventig zeggen natuurlijk helemaal niets over de huidige werkwijze van de diensten. Tenminste, dat mag je hopen.

Daarom kon de minister ook niets anders dan op zijn standpunt terugkomen. Nadat we bezwaar hadden aangetekend maakte de minister het volgende lijstje openbaar. Meer recente cijfers zou blijven staan dat die “inzicht [bieden] in de modus operandi van de AIVD.” De minister keek gemakshalve ook alvast vooruit: “Dat geldt des te meer indien dergelijke gegevens ook in de toekomst van jaar tot jaar beschikbaar zouden komen.” Hij zegt ook dat die cijfers “duidelijkheid verschaffen over de capaciteiten van de AIVD en waarop de focus van de AIVD ligt.”

Daarna konden we niets meer dan naar de rechter stappen – we wachten nu op de behandeling van het hoger beroep.

 

Onderwijl kopte de NOS eerder deze week; “AIVD tapt vaker af door onderzoek naar jihadisten”. waarvoor de NOS zich baseerde op het laatste rapport van de toezichthouder van de geheime diensten. Die schrijft:

“Ten opzichte van de vorige onderzoeksperiode […] is sprake van een toename van 19% van het totaal aantal personen of organisaties tegen wie de AIVD de afluisterbevoegdheid heeft ingezet. […] Oorzaak hiervan is een intensivering van het onderzoek naar jihadistische uitreizigers en terugkeerders.”

AIVD. Focus. Jihadisten. Wat?! Dat is toch staatsgeheime informatie als je de minister zou geloven?

Het is niet zo dat de toezichthouder dit maar even op eigen houtje doet. De toezichthouder wilde in een eerder rapport ook al wat meer cijfers openbaar maken over het aantal taps van de AIVD. Toen censureerde de minister het rapport. En dus is de vraag, waarom nu niet? Blijkbaar is dat argument niet zo heel sterk. We verwachten dan ook dat de minister ook de tapstatistieken van na 2001 gewoon openbaar maakt. Desnoods na gedwongen te zijn door de rechter.

Bron; BoF


Abonneer je nu op onze wekelijkse nieuwsbrief!
captcha