Q5.

In uw antwoord van 22 juli jl. geeft u aan dat het blokkeren van de toegang tot websites “indirect een bijdrage levert aan het bestrijden van deze extreem ernstige criminaliteit tegen kinderen”. Op basis van welk (kwantitatief) onderzoek komt u tot deze conclusie?

Antwoord

Ik baseer mij, als het gaat om het filteren en blokkeren van websites met afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen op het WODC-rapport uit 2008 dat ik aan uw Kamer heb aangeboden bij brief van 15 september 2008 (Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 28 684 en 31 200 VI, nr. 166). In die brief heb ik erop gewezen dat de onderzoekers betogen dat “het meest haalbare doel van blokkeren is dat het voor de gemiddelde gebruiker van internet moeilijker wordt om aan de gewenste informatie te komen.” Mede hierom ben ik van mening dat de aanpak van kinderporno eerst en vooral een zaak is van strafrechtelijke aanpak, evenals van samenwerking met internet service providers om “eigener beweging” afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen te verwijderen via zogenoemde notice and take down-procedures. Als dat niet mogelijk is, ben ik van mening dat blokkeren toegevoegde waarde heeft.

Q6.

In uw antwoord van 22 juli jl. geeft u tevens aan “dat dit soort sites (…) niet vanuit Nederland zijn aan te pakken, ook niet via rechtshulpkanalen”. Kunt u heel precies aangeven welke sites Nederland (al dan niet via rechtshulpkanalen) heeft proberen aan te pakken. Kunt u tevens per site aangeven waarom dit niet is gelukt?

Antwoord

Het verzoek om een specifiek overzicht van websites die Nederland - al dan niet via rechtshulpkanalen - heeft proberen aan te pakken, kan ik niet inwilligen, omdat daardoor aan derden de mogelijkheid zou worden geboden om gericht op zoek te gaan naar afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen.

 

Lees alles bij de bron; ikregeer.nl


Abonneer je nu op onze wekelijkse nieuwsbrief!
captcha